Al heel lang wil ik iets schrijven over kinderen hebben, houden en loslaten. Want ja, ik verwacht wel degelijk van mijn kinderen dat ze ooit op eigen benen staan. En ik vrees dat het te laat is wanneer zij achttien zijn en ik zeg: 'Nu nemen jullie maar de rugzak, hup, die wijde wereld in.' Als ze dan nog nooit hun plan hebben moeten trekken, niet geleerd hebben om een onverwachte situatie in te schatten en hun buikgevoel te volgen, tja.
Dus ben ik er al vroeg mee begonnen, met dat loslaten. Zo vanaf de tweede kleuterklas stuurde ik hen voor melk of eieren naar
Moniek van het buurtwinkeltje aan dezelfde kant van de straat. Of naar de overburen dertig huizen verderop. Ik in mijn, de buurvrouw in haar deurgat om te controleren of ze wel goed uitkijken tijdens de oversteek. (Zelfde scenario voor haar kinderen.) Ik liet hen af en toe alleen thuis terwijl ik korte boodschappen deed - aanvankelijk zelfs geparkeerd voor een filmpje, zodat ze zich niet verkijken op de tijd. Tien minuten kunnen wel een uur lijken als ze zich niet onderdompelen in iets anders.
Tegelijk liet ik ze scharrelen in het park achter onze tuin. Eerst stoepkrijten terwijl ik ze vanuit het raam kon zien. Of iets verderop gaan schoppen in de zandbak, als ik wist dat daar andere kinderen waren met ouders die ik vertrouw. Na een tijdje steeds langer alleen en verder weg. Rolschaatsen op het woonerf àchter het park. Na het spelen bij een vriendinnetje twee straten verderop alleen naar huis komen: sms-je naar mij wanneer de dochter daar vertrekt, sms-je terug wanneer de dochter hier aankomt. (Zelfde scenario voor dat vriendinnetje bij ons.) Of ook: urenlang kampen bouwen in de struiken ver voorbij waar ik ze kan zien.
Dat alles met de nodige afspraken.
- Niemand binnenlaten als wij er niet zijn, zelfs niet iemand die ze kennen. (Want wat is "kennen"? De postbode die ze goeiedag zeggen, kennen ze hem?)
- Bellen als er iets is, om het even wat. (We hebben een vast toestel waarop onze mobiele nummers plakken en oefenen het telefoneren.)
- Nooit de straat oversteken naast het park, dan zijn ze te ver gegaan.
- Met niemand meegaan, zelfs niet met iemand die ze kennen. (Want wat is "kennen"? De mevrouw die de leguaan op haar schouder zo graag demonstreert, kennen ze haar?)
- Geen snoep of koek aannemen, geen nest pasgeboren puppy's / kittens gaan bekijken, geen eindje meegaan met een vriendje - altijd eerst komen vragen.
- Geen volwassene helpen. (Een vreemde boodschap ja, maar daar dienen kinderen niet voor. Hulp moeten volwassenen aan andere volwassenen vragen.)
En met de nodige opvolging. Testen of ze wel degelijk voor niemand opendoen. Vanuit de supermarkt een keer bellen of alles oké is. Op de uitkijk staan en sms-jes sturen. (Eigenlijk wil ik dat van 'nooit meegaan met een vreemde' ook eens
testen.)
Mijn theorie? Na verloop
willen kinderen langzaam hun wereld verbreden. Zo vroeg Lukas in de tweede kleuterklas met aandrang of hij nu ook eens alleen thuis mocht blijven. Zonder zus. Terwijl hij tijdens het scharrelen wel opvallend dichter in mijn buurt blijft. De toertjes die hij in het park fietst, waren de voorbije zomer eerst nog vrij dicht bij huis - pas na een paar dagen werden het grote lussen tot aan de speeltuin. Kampen bouwen in de struiken verderop doet hij liever niet. Samen met mij op het wegje de haag snoeien en alleen verder doen als ik naar binnen ga, dat voelt dan weer wel oké. Kortom,
kinderen geven zelf wel aan waarvoor ze klaar zijn. Telkens als ze zo'n volgende stap nemen, recht ik mijn schouders en herhaal tig keer in mezelf: 'Niet bang zijn. Geen rampscenario's bedenken. Niet onbewust eigen ongerustheden op hen gaan overdragen.' Want zoals I. op het einde zo mooi schrijft:
'Bovenal blijkt het een kwestie van angst. Het besef dat niks me banger maakt dan het vooruitzicht dat ik een kind zou opvoeden dat bang is van de wereld.' 'Een kind moet voorzichtigheid leren, geen angst,' las ik bij de reacties. En ik knikte in gedachten.
Dat was allemaal voor zij een sleutelkind werd. In september startte ze in het derde leerjaar en vroeg ze of ze alleen naar huis mocht gaan. Vond ik het nog steeds mijn verdomde plicht om haar het volle vertrouwen te geven? Slik. En nog eens slik. En uiteindelijk ja. Maar het is elke dag met een klein hartje. Ik ga naar school om ook haar kleine broer af te halen en steek haar de eerste drukke straat over. (Die etappe wil ze binnenkort doen met 'de rij' - onder schoolbegeleiding dus.) Vanaf daar volgt ze haar eigen tempo, haar eigen hindernissenparcours. Ze moet twee zijstraten passeren, ter hoogte van een verkeersdrempel een straat oversteken, invoegen op een fietssnelweg, onder de brug door, afslaan op een fietsknooppunt waarbij het klaverblad van de E17 in het niets valt, weer een straat oversteken, het park door. Onderweg overal verplicht stoppen vóór ze links en rechts kijkt of het veilig is, niet alleen maar wat vertragen. Dan het fietshok met de sleutel open krijgen, fiets parkeren. Het steegje doorsteken naar de achterkant van het huis, eerst tuinhekje dan tuindeur openen en - oef! - thuiskomen.
Hoe spannend dat is. Niet alleen voor mij - ik kom met Lukas soms een half uur na haar aan. Terwijl ik op mijn tanden bijt en in gedachten alle moeilijke passages op haar weg passeer, nemen hij en ik samen een lange avontuurlijke weg. Alles opdat zij haar tocht zelfstandig kan doen. (Lukas heeft niets in de gaten, vindt dat stukje met mij gewoon wat extra leuke, exclusieve aandacht.)
Ook voor haar is het spannend. Telewerkend zag Allerliefste haar een keer arriveren. Ze stapte niet maar liep als een Duracell konijn van de fietsberging naar de achterdeur, zo snel mogelijk naar binnen. Een andere keer stond ze in tranen buiten te wachten, de sleutel klikte niet in het slot. Sindsdien weet ze ook bij welke buren ze mag aanbellen. En daar heb je het dus: je plan leren trekken.
Wat helpt? De nuchterheid -
en stafkaart! - waarmee vriendinnen dit eerder al aanpakten. En het gevoel dat het hier in de buurt normaal is. Zoals onlangs toen ze de openingsdrink op school te druk vond en alleen naar huis wou vertrekken: ik stak haar eerst nog de gevaarlijkste straat over, keerde terug naar het feestgedruis en zou met Lukas zeker meer dan een uur later thuiskomen. De laatste praatjes die ik op de receptie deed gingen van 'ik ga niet lang meer blijven, want mijn dochter...' Alle antwoorden klonken hetzelfde: 'Maar dat is net prima! Ge zijt goed bezig!' Van positieve bevestiging gesproken. Ik ben blijkbaar geen ontaarde moeder.
Maar het is toch waar zeker? Hoe meer scharrel- en sleutelkinderen, hoe toffer en normaler en veiliger voor alle kinderen.